Hans Lucien Roosen - Het Park (deel I)

Beauceron in het park

Het park is niet groot. Maar het is ons park. Hoewel. Het park is van iedereen. Brussel is een stad van tuinen. Maar die zijn privé. Voor de groen minnende meerderheid die zich eigenaar noemt van koer of balkon is een tuin een onbetaalbare, ongenaakbare, jaloersmakende luxe. Het park niet. Dat is van iedereen. Dat maakt het soms best hevig. Het is een beetje zoals met lucht of het strand. Als iets van iedereen is, heb je er altijd wel die … nu ja. We mogen niet mopperen.

Ook mijn buurman – een brocanteur met ambtsrust, een gigantische geel gerookte snor en onuitputtelijke bron van zwanze - verkiest het park vooraan boven een tuintje vanachter, omdat ‘ik dat gras niet zelf moet afdoen.’ Een niet gering voordeel, waar ik, eerlijkheidshalve en tot zijn grote gniffelende vreugde, nog niet aan had gedacht.

Er gebeurt ook altijd wat in het park. Zo gooide laatst een kind een stok. U zal zeggen, een kind dat een stok gooit in een park is geen opmerkelijk feit. Toch ontspon zich door de magische setting van het park een Brusselse saga vol herkenbare heroïek.De stok lag voor de voeten van de dame met het hondje.

Vooraleer u spontaan ‘De dame met het hondje’ van Tsjechov begint te reciteren en het parkje beam-me-up-Scotty-gewijs weg straalt van Kuregem anno 2018 naar Jalta anno 1899 moet u weten dat de dame in kwestie niets had van de elegante Anna Sergejevna en de hond niets van een dwergkeesje. Het beest in het park was een uit de kluiten gewassen spring-in-‘t-veld beauceron en de dame een gebocheld oudje.

De beauceron – een ras dat wolven van schapenkuddes verjaagt – leefde zich uit, bij ontstentenis van Iezegrim of kleinvee, met het onophoudelijk apporteren van een vermolmde tak. Ook het bazinnetje kweet zich moedig en volhardend van haar taak. De wormstekige stok werd telkens weer opgepikt en daarop wierp ze het ding, naar godsvrucht en welvermogen, een paar schamele meters ver. Haar actieradius verminderde zo gestaag dat haar wolfeter de stok vaak al te pakken had voor hout grond raakte. Een kind, niet ouder dan acht, dat met een platte bal tegen het ecologisch en ergonomisch verantwoord klimrek stond te trappen, bemerkte de zielennood van mens en dier. De donkere jongen trapte zijn bal weg en schoot spontaan te hulp. Fluks bukte hij de jonge rug, pikte met een glimlach de terugkerende stok van tussen grootmoedertjes laarzen en lanceerde het ding als een volleerde hamerslingeraar tot groot jolijt van dame en hond.

Bij de derde slingerbeurt ging het mis. De stok brak. Het voortijdig losgekomen stuk raakte het besje vol in het gelaat. Het projectiel was nog in volle vlucht als de knaap zijn gemeende en ongemeen groot gebaar betreurde daar het belabberde bazinnetje niet kon reageren op enige ander wijze dan door laattijdig één oog te bedekken en haar beschadigde bril te examineren met het andere – het bloedde een beetje – terwijl de Marokkaanse buurvrouwen toeschoten met zakdoeken die het vrouwtje goedmoedig bleef weigeren.

De hond apporteerde trots een halve stok en keek met melancholische hondenblik de wegrennende jongen achterna.

*Hans Lucien Roosen woont in Anderlecht, is vader van vier ketjes en geeft uit bij de Brusselse uitgever Bitbook. Zijn nieuwste boek - Wilde Venkel - wordt eind juni gelanceerd.


Geef commentaar

Opmerkingen moeten worden goedgekeurd voordat ze worden gepubliceerd.